Asger Jorn (Vejrum, 1914 - Aarhus, 1973)
Asger Jorn begon zijn loopbaan als portrettist en landschapsschilder.
In 1934 ondervond zijn kunst invloed van het kubisme en de abstracte
schilderkunst. In 1935 kwam hij in contact met de groep ''Linien''. Op
21-jarige leeftijd vestigde hij zich in Parijs, volgde lessen bij
Fernand Leger en werkte enige tijd bij Le Corbusier. De confrontatie
met het spontane werk van Egill Jacobsen in 1937 markeerde het begin
van een worsteling om tot een geheel vrije eigen uitdrukkingswijze te
komen.
Jorn begon na deze ontmoeting volkomen abstract
surrealistisch te schilderen waarbij hij experimenteerde met de
automatische werkwijze van Arp, Miro, Ernst en de Chinese kalligrafie.
Na de oorlog zocht Jorn, in 1941 de oprichter van het tijdschrift
'Helhesten'', waarin hij pleit voor een vrije expressieve
schilderkunst, aansluiting bij de Belgische en Franse surrealisten. In
1942 sloot hij zich aan bij 'Host'. In 1946 leerde hij in Parijs
Constant en Atlan kennen.
De uitgangspunten van het
surrealistisch 'automatisme' en de wereld van de noordse mythen en
sagen wist hij samen te brengen in de CoBrA-groep, waarvan hij
mede-oprichter en inspirator was. In de CoBrA-periode had hij een
heftige dramatische schildertrant met zware vormen en donkere kleuren.
Pas halverwege de jaren vijftig vond Jorn de stijl waarmee hij
internationale roem zou verwerven. De felle beweging van de lijn in
zijn vroegere werk veranderde in een dramatisch bewogen verfmassa
waarin schimmige wezens, geesten of wazige visioenen opdoemen. Jorn
experimenteerde met allerlei technieken. Zo werkte hij tevens in
keramiek. In 1959 maakte Jorn een reusachtig, negen ton wegende
wanddecoratie in keramiek voor het staatsgymnasium in Aarhus,
Denemarken.
Net als Constant ontwikkelde Jorn revolutionaire
ideeen over de rol van de kunstenaar in de westerse maatschappij. In
1956 richtte hij als reactie op Max Bill, die in Ulm een tweede Bauhaus
wilde verwezenlijken, met Enrico Baj de 'Mouvement International pour
un Bauhaus Imaginiste' op. Het MIBI-congres in 1956, waar ook Constant
aanwezig was, was een stap op weg naar de Situationistische
Internationale (1957-1969), waarvan hij een van de oprichters was. Deze
organisatie maakte zich sterk voor een collectieve deelname aan de
kunst door kunstenaars en burgers, met als doel de maatschappij zelf
tot kunst te laten worden.
Jorn heeft talrijke tentoonstellingen
gehad in binnen- en buitenland, waaronder het Stedelijk Museum in
Amsterdam (1964) en na zijn dood het Guggenheim Museum in New York
(1982) en de Stadtische Galerie in Lenbachhaus, Munchen (1987). Jorn
schonk een groot aantal van zijn werken (en van bevriende kunstenaars)
aan het museum voor moderne kunst in Silkeborg.